Waarom schrijven we de ene keer ‘jou’ en de andere keer ‘jouw’. Soms komen beiden zelfs in dezelfde zin voor. Waar is dat nu weer voor nodig? Nou, die ‘w’ is er niet voor de grap, maar heeft wel degelijk een functie.

Bezittelijk of persoonlijk?

Het woordje ‘jou’ is een persoonlijk voornaamwoord. Dat wil zeggen dat het een persoon aanduidt. Ik spreek jou nu bijvoorbeeld aan en zoals je ziet, gebruik ik daarbij het persoonlijke voornaamwoord, ‘jou’. Wil ik echter verwijzen naar iets van jou, bijvoorbeeld een eigenschap, of een bezitting, dan gebruik ik het bezittelijk voornaamwoord, ‘jouw’. Bijvoorbeeld: jouw fiets, jouw tenen, of jouw geduld.

Vaak kun je het woordje ‘jouw’ ook vervangen door ‘van jou’. Dan wordt het: de fiets van jou, de tenen van jou en het geduld van jou. Je kunt het persoonlijke voornaamwoord dus ook wel bezittelijk gebruiken.

Ezelsbruggetje

Het kan erg verwarrend zijn wanneer al deze vormen samen in één zin worden gebruikt, maar geen paniek. Hier is een handig ezelsbruggetje voor verzonnen. Je kunt meestal makkelijker horen welke vorm je moet gebruiken als je het op jezelf betrekt. Vul op de plek in de zin waar de ‘jou’-vorm moet worden ingevuld, ‘mij’, of ‘mijn’ in. Als je ‘mij’ (zonder de n) moet zeggen, dan gebruik je het woordje ‘jou’(zonder de w). Is de juiste vorm ‘mijn’ (met de n), dan wordt het ‘jouw’ (met de w). Hieronder enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1
Ik vind … aardig. (jou/jouw?)
Ik vind mij aardig

Uitkomst: Ik vind jou aardig

Voorbeeld 2
Sam leent ……. pen (jou/jouw?)
Sam leent mijn pen

Uitkomst: Sam leent jouw pen

Het handige aan dit ezelsbruggetje is dat je het ook kunt toepassen op de formele versie van ‘jou’ en ‘jouw’, namelijk ‘u’ en ‘uw’.

Wil je altijd antwoord op al je vragen?

Op de app stel je direct je vraag, waarna een bijlesdocent je verder helpt. Zo wordt leren aangenamer en zullen je schoolprestaties binnen afzienbare tijd verbeteren.

Oefenen

Denk je dat je hem nu doorhebt? Maak voor jezelf de volgende oefenzinnen compleet door eerst ‘mij’, of ‘mijn’ in te vullen en deze dan te vervangen door ‘jou’, of ‘jouw’.

1. Ik heb ….. fiets in de stad geparkeerd.
2. Is het …… niet opgevallen dat ze niet aanwezig was?
3. Ik kan niet altijd …… huiswerk voor …….. maken!

Op zoek naar een ander onderwerp?